Archive for category: #3voor12

Déjà vu (XIII): snelwandelen op Lowlands

Waarom langzaam als het snel kan. Wie niet wil wandelen, rent. Denk je. Maar ook wandelen kun je snel doen. Ik deed in 2004 mee aan een tien kilometer snelwandeling op Lowlands. Omdat je alleen weet hoe het is om met van die samengeknepen billen te lopen

“En als zesendertigste is gefinished…”

Ook Lowlands houdt dit weekeinde de Olympische gedachte hoog. Sport krijgt niet alleen met de paar lollige jeux de boulers en hockey slapstick acts de nodige aandacht, er was ook een echte sportwedstrijd. Natuurlijk koos de organisatie wel iets uit waarbij het publiek wat te kijken en lachen had: snelwandelen, de meest swingende sport. Zaterdagmiddag startte op het festivalterrein een officiële door de atletiekbond georganiseerde wedstrijd over tien kilometer. 3VOOR12-verslaggever Ron trok zijn gympen aan en liep samen met 3VOOR12 vriend Laurens van der Wee mee, als het Jamaicaans bobsleeteam onder de snelwandelaars.

“Nee zo, kijk.” Aan het woord is de 33-jarige Frank Buytaert. Na dat laatste woord schiet hij weg. Voor hem is het opwarmen, maar ik weet zeker dat de helft van het Lowlandspubliek hem rennend niet bijhoudt. Snelwandelen. Volgens velen de meest belachelijke sport denkbaar. Niet volgens Buytaert. Hij is de regerend kampioen van België. En nu is hij mijn coach. “Hakken op de grond, gestrekt been, pas buigen als het been recht onder je staat.” Buig je het eerder, dan krijg je een ‘verwittiging’. Na een aantal verwittigingen krijg je een kruis. Drie kruizen is einde oefening. In gedachte zie ik een mooie uitgang zo na één kilometer.

Ik vond dat ik pas mocht oordelen als ik het zelf had geprobeerd. En dus schreef ik me in. De atletiekbond was huiverig. Want snelwandelen ziet er misschien wel lollig uit, maar het is serious as hell voor de sporters zelf. Ik moest beloven de sport niet belachelijk te maken. Dat deed ik, met in mijn achterhoofd het plan om alleen het rondje over het terrein mee te lopen. Om het gegil van het publiek te ervaren, om die schreeuwende kerels die je uitlachen. En de gillende meiden die klappen en je najuichen met een verlekkerde blik. Dan door naar de redactieruimte voor toch maar wel een lollig stukje over die gekke sport.

Maar ja, dan start je en blijk je de eerste paar honderd meter lekker vooraan te zitten. Het publiek doet precies wat ik ervan gehoopt had. Schreeuwen en juichen. Zoals zovaak is het Lowlands publiek heel schappelijk: verbazing, maar geen algehele afschuw. Gelach met ook een waarderend ondertoontje. Zo klinkt het tenminste. Ik ga er harder van lopen en haal nummer 30 en 14 in.

Maar dan begint het. Al meteen bij de eerste scheidsrechter vlak buiten het festivalterrein ga ik in de fout. Op zijn fiets haalt hij me weer in (ja, zo hard ging ik dus wel!): “Je linkerknie. Gebogen. Mag niet!” Ik zie een kleine grijns op zijn kop. Verdomme! Coach Buytaert zei het nog! Ik word er verbeten van. Kniebuiging. Niet voor jou, ouwe gek. Ik zal je eens wat laten zien!!!!

Dan volgen negen kilometer waarin anderen mij inhalen. En me bemoedigend toespreken: “Gaat goed, meer met de armen zwaaien.” Nou, daar ga ik. Als een echte poldermolen. Goed? Flikker op man, je loopt me toch voorbij, of niet dan! En om de zoveel tijd een scheidsrechter die met het gevoel geeft dat ik examen moet doen. Eentje matst me in eerste instantie, maar geeft me later mijn tweede V. Fuck! Ik zal er toch niet uitvliegen? De derde scheids is echter ok. Ze blijft me de laatste vier kilometer coachen en ziet af en toe een niet gestrekt beentje door de vingers. Als Buytaert na 47 minuten over de finish vliegt, stapt zij van haar fiets en komt naast me lopen: “Rug recht, knieën overstrekken. Niet zo met je heupen wiegen. Je wilt het te goed doen.” Te goed doen! That’s me. Altijd vooraan willen lopen. Nou, niet vandaag hoor.

“En in een tijd van één uur en 14 minuten precies is gefinishedttttt-t-t-t-t……. Ron van der Sterren van de VPRO. Ron, als je nog pap kan zeggen, kom dan nu naar de microfoon.” Ik probeer rustig naar de presentator te lopen, maar mijn benen kunnen niet zo snel terugschakelen en hollen vanzelf onder me weg. “Ron, je allereerste snelwandelwedstrijd in een respectabele tijd. Hoe ging het?”
“Pap.”

NB: Tien minuten later valt ook 3VOOR12-vriend en first time snelwandelaar Laurens over de finish, als laatste: “in een persoonlijk record!”

(Verschenen bij 3VOOR12 op 21 augustus 2004)

Déjà vu (XII): Het Pinkpopgevoel

In 2004 ging ik voor 3VOOR12 opnieuw op zoek naar het Pinkpopgevoel. Drie verhalen schreef ik voor de site. Om daarna mijn conclusie te trekken in een liefdesverklaring:

Het Pinkpopgevoel

Ik zag Living Colour een dag voor het optreden drie uur lang repeteren in de Oefenbunker, een lokaal poppodium niet ver van het Pinkpopterrein. Door een kapot wc-raampje. Love Rears It’s Ugly Head in vijf verschillende uitvoeringen, wow! Ik mocht ooit op de Nacht van Pinkpop spelen, toen nog het opwarmfeestje op de A-camping een dag voor ‘het festival’. Voor een stampvolle tent, dankzij een keiharde plensbui. Ik zag samen met mijn beste vriendin Brendy de Happy Mondays vanaf de berg tussen camping A en het festivalterrein, waar je in 1991 nog goed uitzicht op het podium had. Dat jaar hadden we geen kaartje gekocht, omdat we een dag later scheikunde examen moesten doen.

Ik werd verliefd op Pinkpop, minimaal een keer of vijf. Ik was voor het eerst backstage op een festival, hier. Ik verdronk liefdesverdriet en miste het complete optreden van, ja wat was het ook al weer? Ik kneusde mijn eerste rib tijdens het crowdsurfen bij Rage Against The Machine. Ik verloor een schoen bij Pearl Jam, toen Eddie Vedder voor mijn gevoel bijna op mijn nek sprong van die camera-arm.

Links voor naast de toren. Dat was ook onze plek. Jarenlang. Nu is het de porto cabin achter het zuidpodium. Een voorrecht waar ik toen niet eens van durfde te dromen. Inmiddels is het bijna gewoon. Maar de liefde is er niet minder om. De rit naar Landgraaf, elk jaar weer thuiskomen.

Dertien edities later haat ik de roze petjes en ik vind het belachelijk dat ik niet met mijn picknickmand vol boterhammetjes op het terrein mag zitten. Mijn vrienden kom ik hier bijna niet meer tegen. Dat de bezoekers van camping B voor de 33e keer Wipneus en Pim door hun strot geduwd krijgen is misdadig. Op het programma heb ik natuurlijk ook een hoop aan te merken. De plaatselijke gemeente maakt zich onsterfelijk belachelijk door het festival af te knijpen op een tijdstip (22.30) waar op alle andere plekken het voorprogramma net voorbij is. En dan hebben we het niet eens over die vier inmiddels verboden vuurpijlen gehad.

Maar liefde trekt zich natuurlijk geen moer aan van al die argumenten, voor of tegen. Liefde maakt blind. Het laat je dingen voelen die je niet kunt beschrijven. Het is een vlam die niet uitgaat, vuurwerk of niet. Dus vraag me asjeblieft niet meer waarom. Ik hou nu eenmaal van Pinkpop. Punt.

(Verschenen bij 3VOOR12 op 31 mei 2004)

Déjà vu (XI): Alsjeblieft, red me niet

Bestaat een tijdmachine? Zijn mythes gebaseerd op feiten? Motel Mozaique heeft zwarte gaten die je naar een andere wereld brengen. En je vindt ze alleen met de juiste gids. Mijn eerste kennismaking met gids Yvonne in 2003

Alsjeblieft, red me niet

“Dag, met Yvonne. Ik ga je gidsen. Waar ben je?” Zij is het! Het meisje in het rood, de gids die me op de vorige Motel Mozaique een onvergetelijk moment bezorgde door me naar een donkere kelder van Night Town te lokken. “Zie ik je zo in de schouwburg?” Jaaaaa!!!!

Vijftien minuten later is ze er. Niet meer helemaal in het rood, maar onmiskenbaar haar. En net als vorig jaar overrompelend: “Ik heb een blind date voor je geregeld. Ik ga haar even zoeken.” Nouja!! Hoever kan festivalservice gaan? De gidsen zijn vrij in hun poging bezoekers te verleiden tot het beleven van iets bijzonders. Maar gaat dit niet te ver, vraag ik – getrouwde man – me af.

Er is maar één manier om daar achter te komen. Weer tien minuten later komt ze me ophalen. Ik zit bij de theatrale band Poni met mijn mond open te genieten van de waanzin die zich voor mijn neus afspeelt. Al zal het spoedig verbleken als herinnering. Mijn voorstelling begint nu pas. Yvonne bukt zich beheerst voorover en fluistert: “Het is zover.”

“Ben je bang alleen in het donker?” vraagt ze even later als we door het gebouw dwalen. “Ik ben niet alleen,” antwoordde de wijsneus. Zijn laatste adremme opmerking.

Yvonne laat me achter in een donkere werkplaats ergens in de schouwburg. Ik zie een grote zaagmachine, een boormachine, veel hout, drie stoeltjes, twee grote kisten. Even wandel ik rond. Grote ramen geven zicht op het Schouwburgplein. Dan gaat de deur open. Een verblindend mooi meisje met lang zwart haar en donkere ogen die fel genoeg zijn om in deze even donkere kamer te glinsteren als goud. Ze stapt op me af. “Ben jij Ron?” vraagt ze veel te aardig. En daar blijft het niet bij: “Ga maar zitten.” Dit keer gebiedend. Voor ik kan bedenken met welke geweldige openingszin ik weer enigszins grip op de situatie krijg, sleurt ze me mee. In een verhaal.

Terwijl haar mond me in haar mythe trekt, houden haar ogen me vastgenageld in deze ruimte. Op de achtergrond vliegen haar woorden als honingzoete bijen langs mijn oren. Iets met Mylos die een stad belaagt en een koningsdochter van het aangevallen land. Ik probeer haar blik vast te houden. Maar ik heb niks te houden. Ik ben stuurloos. Pas als ik mijn hoofd afwend in de richting van een boormachine, dringt tot me door waar ze het over heeft. Skylla, de koningsdochter, is smoorverliefd op vijand Mylos.

Na twee minuten boormachine kan ik haar weer aankijken. Nu gaat het goed. Het voelt vertrouwd. Ze is Skylla geworden. En ze is verliefd. Op mij. Want ik ben Mylos, belager van haar stad. Ik tril in elke porie. Een komma later zijn de rollen weer gewisseld. Nu ben ik God, tegen wie ze haar beklag doet. Als ik barmhartig wil antwoorden, schakelt ze opnieuw. Ze is weer de vertelster met de glinsterende ogen en ik ben niet de almachtige, maar een weerloze luisteraar die spartelt in haar vloedgolf van woorden.
Asjeblieft, red me niet.

Twintig minuten later zit ik weer bij Poni, fysiek dan. Mijn hoofd is nog in de ban van Skylla. Ik ga niet eens proberen de mythe van Mylos en Skylla na te vertellen. Elke poging zou een belediging zijn voor deze vertelster en de gids die me koppelde. Ik kan alleen maar voor je hopen dat je haar ooit mag tegenkomen.

(Verschenen bij 3VOOR12 3VOOR12 op 18 april 2004)

Déjà vu (X): slapen is een kunst in Motel Mozaique

Wat je ook allemaal verzint om je gasten bezig te houden, uiteindelijk draait het bij een motel natuurlijk om het doorbrengen van de nacht, liefst in slaapstand. Dat laatste was nog een hele kunst in het gemeentehotel van

.

Slapen is een kunst

Wat je ook allemaal verzint om je gasten bezig te houden, uiteindelijk draait het bij een motel natuurlijk om het doorbrengen van de nacht, liefst in slaapstand. Dat laatste was nog een hele kunst in het gemeentehotel van Motel Mozaique.

Motel Mozaique beslaat weer de halve stad. Maar de bedden zijn dit jaar verhuisd naar een plek in Rotterdam Zuid, boven club Las Palmas, vlakbij Hotel New York. Begonnen als lollig kunstslaapproject veranderde het vorig jaar al in een poging de stad wat terug te geven met de gezellige etalagebedden in een winkelstraat. Dit jaar is de slaapvoorziening van Motel Mozaique vooral een protest tegen het strenge beleid tegen vreemdelingen en minder bedeelden van de Rotterdamse samenleving.

Een protest dat niet alleen door de Pauluskerk, maar ook door gerenomeerde hotels en bekende en onbekende indivduen wordt gesteund. Dit jaar is Motel Mozaique daarom niet alleen gastvrij naar de festivalbezoekers toe, maar ook naar de door de gemeente opgejaagde zwervers van Rotterdam. Een erg goed initiatief, vind ook ik.

Maar iets goed vinden en het steunen door er aan mee te doen zijn toch altijd weer twee dingen die verder uit elkaar liggen dan je zou willen. Natuurlijk heb ik tegen mijn collega’s weer lekker stoer lopen doen. Maar nu ik hier ietsje voor half zes aankom bij Las Palmas, is er tussen die nobelheid en verlangen naar spanning toch ook een beetje twijfel gekropen.

Dat heeft niks te maken met de muren, die ook nu nog trillen op de beat die de dj dirigeert en nog steeds nieuwe bezoekers naar binnen lokt. Wel met de verhalen die ik heb opgevangen van schreeuwende zwervers, vage gasten en feestende festivalbezoekers in het hotel de vorige nacht.

Maar aangekomen bij de hotelbalie ontvouwt zich een heel ander beeld: op twee slurpende koffiedrinkers in de ‘bar’ na liggen alle hotelgasten vreedzaam in hun bed. En zien doet … Dus kies ik een van de nog beschikbare bedden en leid mezelf er snel naartoe.

Toch zorgen die nu bewezen leugens ervoor dat ik me enorm aanstel. Ik ga bijvoorbeeld niet onder de dekens liggen, maar rol mijn slaapzak uit. Daarin kan ik namelijk behalve mezelf ook mijn kostbare spullen (telefoon, mp3-speler, portemonnee) veilig opbergen. Al mijn kleren stop ik in de slaapzakzak. Dan pas ben ik klaar voor de nacht.

Jammer dat ie al voorbij is. Als ik voor de tweede keer naar de wc ben gegaan (met al mijn ‘kostbaarheden’ in mijn rugzakje mee), mijn collega’s een smsje heb gestuurd en mijn alternatieve mp3-oordopjes heb ingedaan en afgesteld op een slaapmuziekje, is het inmiddels half zeven.

Ietsje later val ik toch in slaap en ben ik dankzij Motel Mozaique na de hoofdrolspeler in een toneelstuk over de de mythische Mylos en een huisvriend van Johnny Hoes nu ook nog kunstenaar.

Drie uur later word ik weer wakker. Eindelijk zie ik wie mijn slaapmaatjes zijn. Ja hoor! Ik lig in een bed van de Pauluskerk. Want waar ik bij andere bedden rugzakken, tassen en hier en daar een slaapzak zie, staan onder de meeste bedden naast mij alleen een paar schoenen. Meer hebben de zwervers die hier vannacht logeerden simpelweg niet. De belachelijke angst maakt nu plaats voor schaamte. Die nog groter wordt als mijn directe buurman vriendelijk lacht. Ik besluit nu al dat ik ook volgend jaar zeker weer slaap in een bed van Motel Mozaique, wat ze ook verzinnen.

(Verschenen bij 3VOOR12 op 18 april 2004)

Déjà vu (IX): genieten van het uitzicht

In 2003 had ze een hele winkelstraat zo gek gekregen om bedden in de etalage te zetten voor festivalbezoekers. In deel 3 van mijn slaapverslag laat ik me in slaap sussen door

slapen in de hoofdzaak (III)

Tijd om te gaan poseren als schone slaper. De kroeg tegenover is eindelijk gesloten. Al betekent dat niet dat de rust is wedergekeerd. Bij de koffieshop erboven en de kroeg twee deuren verder is nog steeds spitsuur. Gelukkig zien de bezoekers mij niet liggen.

Dat geldt ook voor de twee verslaafden die voor de kapsalon stoppen en een dealtje sluiten. Mijn lef slinkt tot een minimum, de foto is dit keer vanonder de lakens gemaakt. Verstaan kan ik ze niet, maar de transactie verloopt zo te zien voorspoedig. Al valt de koper nog voor hij zijn heeft verbruikt al bijna op zijn bek. Hij zou best een bedje kunnen gebruiken.

De volgende wakkerhouder is een ambulance die met rotvaart ‘mijn straat’ inrijdt. Snel veer ik mijn bed uit. Aan het knipperend licht te zien, staat hij stil, maar ik zie het net niet. Nog maar een kopje thee.

Als ik weer lig, komt er rustiger volk voorbij. Ze kijken even, zwaaien dan. Ik ken inmiddels mijn plek en zwaai ‘spontaan’ terug. Een lach is mijn beloning. Eerlijk gezegd had ik meer gekheid voor mijn raam verwacht. Maar de meeste voorbijgangers zien me niet eens liggen. Ik kan redelijk ongestoord van het uitzicht genieten. Uitzicht dat elke minuut anders is als je heel goed oplet.

De vogeltjes laten zich niet voor de gek houden door het intreden van de zomertijd. Bij de eerste straaltjes natuurlijk licht zetten ze het op een fluiten. Aan de overkant op drie hoog is nog een vroege vogel. Kennelijk was het vaders beurt om ‘de kleine’ op te pakken. De kleine heeft er in ieder geval zin in: op pappa’s arm voelt hij zich veilig en niet te verlegen om vrolijk naar mij te zwaaien. Dan raast de eerste tram voorbij. Nu ga ik toch echt slapen.

(Verschenen bij 3VOOR12 op 30 maart 2003)

Déjà vu (VIII): bezoek van hogerop

Deze week het tweede van drie verhalen over mijn eerste slaapervaring op het Motel Mozaique festival in Rotterdam, waar ik in 2003 sliep

Slapen in de hoofdzaak (II)

De eerste angsten zijn inmiddels overwonnen. Tijd voor iets nieuws.

Na een uurtje heb je het toch gezien. Alleen is ook maar alleen, zelfs een goede pruik op een plastic hoofd brengt daar geen verandering in. Nadat je met je hoofd twee minuten in de haarwasbak hebt gelegen en even onder de haardroger hebt gezeten, ben je al weer uitgespeeld in zo’n kapsalon.

Gelukkig heeft de kapper een mooi welkomstpakketje klaargelegd: Privé, Story, Eigen Huis en Interieur, Quote, flesje champagne, appeltje, banaan. Maar net als ik me eens wil verdiepen in de relatiecrisis die Wimlex en Maxi kennelijk nu al doormaken, heb ik bezoek. Twee dolle meiden plakken tegen het raam: “He Hallooo!” Wordt het toch nog gezellig?

Ze hebben veel vragen. Wie ben ik, waarom ben ik er en doe ik ook kunstzinnige poses? Mag ik gevoerd worden? Mijn begrip voor dierentuindieren groeit. Al snel wordt het drukker. Ook collega Okkie arriveert. Of ik even in bed wil gaan liggen voor de foto. Natuurlijk. Ik doe alles wat de klant wil. “Misschien is dit leuker” stel ik voor. Ik zet mijn glas champagne op de grond en ga ernaast liggen, alsof ik in mijn delirium ben gebleven. Dat is kennelijk leuk. Leuk zoals het ook ‘leuk’ is om een aap van zijn tak te zien vallen.

Annelore en Angelique zijn volhouders. Melige volhouders ook. Okkie is weer verdwenen, de twee meiden nog niet. Langzamerhand worden we ook intiemer. Angelique duwt haar wang tegen het raam, ik volg. Mijn verbeeldingskracht bezorgt mijn gezicht een warm gevoel. De zucht naar genegenheid gaat ver als je zit opgesloten. “Heb je een knuffel bij je?” vraagt Annelore bezorgd. “Ja,” lieg ik. Het is tijd voor afscheid.

Maar niet veel later komen ze terug. Met een kop thee in hun handen. Annelore woont zo’n beetje boven de kapsalon en het is kennelijk nog geen bedtijd voor de twee. Om de gezelligheid op te voeren, zet ik mezelf ook nog een kop thee. Daarna terug naar de deur. Babbelen over niets. Over Annelore.nl en de foto’s die ze maakt. Ook Okkie komt terug. Nog maar een fotootje? Ja hoor, ik ga wel weer even in de goede stand staan…

Als alle bezoek vertrokken is, besluit ik opnieuw contact te zoeken met mijn bovenbuurvrouw. Ik leen de telefoonaansluiting van mijn vriendelijke gastheer even om mijn laptop aan te sluiten. Annelore.nl bestaat echt! Snel stuur ik een mailtje. Daarna nog een. En nog een. Zeven in totaal. Maar helaas, een nachtelijke chatsessie zit er niet in vandaag.

(Verschenen bij 3VOOR12 op 31 maart 2003)

Déjà vu (VII): vrijwillige opsluiting

Deze week in de replay van persoonlijke verhalen die ik voor 3VOOR12 schreef mijn eerste slaapervaring op het Motel Mozaique festival in Rotterdam. Elk jaar verzint het festival een nieuwe bijzondere plek voor haar bezoekers. In 2003 had ze een hele winkelstraat zo gek gekregen om bedden in de etalage te zetten voor festivalbezoekers. Ik mocht mijn pyama aantrekken in

slapen in de hoofdzaak (I)

Als afsluiter van het gastvrije festival Motel Mozaique boekte 3VOOR12 zaterdagnacht een heel bijzondere kamer voor een van haar verslaggevers. Na het zien van koptelefoonsessies, de nooduitgang van Nighttown en een herrezen Mauro, vertrok Ron van der Sterren naar zijn bed, kapsalon De Hoofdzaak in de Van Oldebarneveldstraat. Een slaapverslag.

Eigenlijk is het nog veel te vroeg voor dit etalageavontuur. Half twee, wintertijd. Vrijdagnacht arriveerden de eerste schone slapers na drieën en kwam de laatste om kwart over zes aanzetten. Gelukkig is ‘mijn winkel’ morgen dicht, dus ik hoef er niet voor negen uur uit te zijn.

Wat moet je verwachten van een avondje etalagepop spelen? Ik weet het niet. Verbaasde voorbijgangers die zich rot schrikken? knetterstonede hangjongeren die hun milkshake tegen je ruit aansmeren? Vrolijke dames die toe zijn aan een nieuw kleurtje? Ladderzatte voetbalfans met een baksteen in de aanslag, klaar voor een befaamde Rotterdamse rel?

Ik zal het maar meteen bekennen, ik vind het heerlijk, dat exhibitionistische gevoel dat iemand een uur naar je staat te gluren terwijl jij je kussen onderkwijlt. Raar doen achter een ruit, alleen maar om raar te doen. Om voorbijgangers te laten denken: “die gast is gek!”. Ze verward weer de nacht in te sturen. Heerlijk.

Maar ook wel een beetje eng. Zeker als sleutelbewaarder Ruud me weer heeft opgesloten en ik alleen ben. In een kapsalon. Nou ja, met al die spiegels hier staat er altijd wel een van je eigen ikjes achter je…

Het bed ziet er mooi uit. Mooi rood laken, echte kappersblaadjes erbij. Daarnaast een tafeltje met een flesje champagne, spaatje, appel, banaan en sinaasappel. Wat een gastheer! Niet weten wie er in zijn zaak komt slapen en hem toch een warm welkom bieden. Letterlijk, want zelfs de verwarming staat nog aan.

Dan begint het ontdekken. Zal ik mijn haar verven? Een permanentje zetten? Eerst toch maar een kopje thee. Toen Ruud me net de wc liet zien, zag ik de waterkoker al staan. En ook een trap naar boven. “Daar hebben ze nog een salonnetje geloof ik,” probeerde hij het zo oninteressant mogelijk te brengen. Zonder succes.

Als de waterkoker pruttelt, loop ik voorzichtig naar boven. Na 8 treden bevries ik. Shit, DAAR ZIT IEMAND!!!!! Ik zie duidelijk een hoofd… waar zit dat licht? Zit ik hier opgesloten met psychopatische knipper, zijn schaar al in de aanslag? Waar is dat LICHT verdomme!!!? Om wat te zien, maak ik foto’s met de flitser aan. SHIT! Lang rossig haar!!! Ik doe wat domme mensen in nog dommere films ook altijd doen. Snel omhoog rennen en een klap links om de hoek op de gok dat de lichtschakelaar daar zit. Een jas over een stoel, een pruik op een etalagehoofd…

(Verschenen bij 3VOOR12 op 30 maart 2003)